Buro Prinor

Presentatie, Informatie, Organisatie

We zijn toch in Nederland

Vandaag hoorde ik het twee keer: We zijn toch in Nederland! Alsof we dat niet weten!

 

Allereerst tijdens een overleg met coaches voor leerlingen die van basis naar voortgezet onderwijs gaan. Een lijst met nieuwe aanmeldingen werd rondgedeeld.  Daar stond bij enkele namen de opmerking 'vrouwelijke coach' achter. Eén van de coaches maakte daar een opmerking over. Hij vond het niet kunnen dat bij enkele allochtone leerlingen een voorkeur voor een vrouwelijke coach werd aangegeven."We zijn toch in Nederland."  Mijn reactie daarop kon niet uitblijven, want ik begrijp dat wanneer het gaat om een meisje en er tijdens het coachen alleen de moeder thuis is, zij dan geen vreemde man in huis willen. Dat heeft ook met hun geloof te maken en of we dan in Nederland zijn veranderd daar niets aan. Het gaat er om dat de leerling coaching krijgt en wanneer er  niet met de keuze rekening gehouden zou worden, zouden zij van coaching afzien. Daarbij spreek ik ook een voorkeur uit voor een leerling. Wat is daar mis mee. Het is belangrijk dat er een goede klik is tussen coach, leerling en ouders en als daarvoor voorkeuren gemaakt moeten worden, dan is dat maar zo.

Later die ochtend zat ik in de wachtruimte in het ziekenhuis. Op een gegeven moment komt er een oudere man in een rolstoel voorbij. Hij wordt vergezeld door, waarschijnlijk, zijn dochters. Even daarvoor had ik ze verderop in de hal al horen praten, onder elkaar in hun eigen taal, volgens mij Turks, en met het verplegend personeel in perfect Nederlands. Op het moment dat ze voorbij lopen, praten de dochters tegen de vader in het Turks. Tegenover mij zit een echtpaar en de man merkt op: ‘Ik versta er niets van’. Ik reageer nog niet, maar denk ‘moet dat dan?’. Aan mijn kant 2 stoelen verder zit een mevrouw en die zegt: ‘En we zijn toch in Nederland!’. Ze kijkt mij aan en verwacht van mij een bevestiging of een zelfde soort opmerking. Ze kijkt op haar neus als ik zeg dat het toch niets uitmaakt. Ook de man maakt nog een opmerking en ik zeg dat het toch niet over hen ging. Het was duidelijk dat ze tegen de vader spraken. Op dat moment hoor ik mijn naam: mevrouw Sebbar. Ik ben aan de beurt.

Wat ik mij dan afvraag is of er ook een probleem gemaakt wordt wanneer mensen Duits of Engels of een dialect praten. Dat verstaat toch ook niet iedereen! Maar daar hoor je niemand over. Taal is zeker belangrijk, maar voor de eerste generatie is dat nu te laat. Dat is destijds niet goed opgepakt door beide kanten: migranten zelf en de overheid. Voor de tweede en derde generatie is het geen probleem meer, die spreken goed Nederlands. Die hoeven alleen nog maar ook gezien en behandeld te worden als Nederlanders!


Amina Sebbar, mei 2016