Buro Prinor

Presentatie, Informatie, Organisatie

Aanpak radicalisering


Laat ik voorop stellen dat ik geen voorstander ben van een radicale geloofsbeleving. En dat ik het vreselijk vind wat er gebeurt met de jongeren die in Syrië belanden. Het doet pijn te zien welke beeldvorming ontstaat van het geloof dat ik ruim 30 jaar geleden vrijwillig aannam. Dus ja, er moet iets gebeuren tegen radicalisering. Of eigenlijk tegen het gewelddadige jihadisme en alles wat er toe kan leiden. Ook ik zelf probeer me daar voor in te zetten.

Op 16 maart is er een brief verstuurd door de minister en staatssecretaris van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) aan de voorzitter van de Tweede Kamer over de rol van het onderwijs in de aanpak van radicalisering. In december 2014 verscheen de brochure ‘Handreiking aanpak radicalisering en terrorismebestrijding op lokaal niveau’. In het voorwoord hierin staat dat ‘het jihadisme op dit moment een substantiële bedreiging vormt voor de nationale veiligheid van Nederland’. Gelukkig wordt (helaas pas) verderop aangegeven dat met jihadisme de gewelddadige ideologie bedoeld wordt en niet jihad als algemene islamitische term, meestal uitgelegd als ‘een inspanning voor een verdienstelijk doel’. Als één van de doelen wordt het wegnemen van de voedingsbodem voor radicalisering genoemd.

Er wordt gesproken over het letten op signalen. Maar wat is dan een signaal van radicalisering? Is dat wanneer iemand opeens vijf keer per dag gaat bidden of een hoofddoek gaat dragen? In mijn ogen namelijk niet, want dat is een normale manier van je geloof belijden. Maar dat moet wel ook duidelijk zijn bij leerkrachten en ambtenaren die zich moeten gaan bezighouden met de aanpak tegen radicalisering. Mensen worden nu heel makkelijk weer in een nieuw hokje gestopt. In het hok ‘moslims’ wordt nu een subhok gecreëerd, dat van ‘radicale moslim’. En wanneer ben je radicaal? Als je als vrouw een zwarte lange hoofddoek draagt of als je geen hand meer wilt geven aan iemand van het andere geslacht? Terwijl deze personen dat doen vanuit een geloofsovertuiging die verder geen enkele wet overschrijdt. Het is erg tricky om daar meteen etiketjes op te plakken.

Meestal vind ik de stukken van Johan Van der Beek en Clair Van Dyck in de Limburger veel waarheden bevatten. Toch heb ik kritiek op het artikel over de moeder die haar kinderen naar Syrië ontvoerde, wat natuurlijk iets vreselijks is. Daarin wordt het proces van radicalisering van de moeder omschreven als: eerst een seculiere moslima - ging nooit naar de moskee - werd vroom - ging een hoofddoek dragen - gebed en rituelen bepaalden de dagindeling. Daarna gaat ze gesluierd door het leven in donkerbruin met alleen haar gezicht onbedekt, met geen bezwaar tegen een boerka. En ze wordt steeds strikter in de leer. Ook in het artikel waar de vader van de kinderen zijn verhaal doet, worden deze ‘signalen’ genoemd, aangevuld met ‘ritueel reinigen’ en ‘een Koran kopen’.

Hiermee lijkt het dus dat het gaan dragen van een hoofddoek/sluier en het verrichten van het gebed tekenen zijn van radicalisering. Ook heel tricky om dat op die manier te omschrijven. Ik ga ervan uit dat er zeker ook andere signalen moeten zijn geweest.

Naar mijn idee bevindt deze hele situatie van radicalisering zich in een cirkel die doorbroken moet worden. Er is uitsluiting en islamofobie in de maatschappij - jongeren voelen zich buitengesloten - zoeken naar een invulling van hun geloof want kregen van huis uit geen basis mee - komen terecht bij de verkeerde informatiebronnen - gaan radicaliseren - er komt een programma om radicalisering tegen te gaan - iedereen wordt in het hokje ‘ (radicale) moslim’ gestopt - uitsluiting blijft of wordt zelfs versterkt – de cirkel is rond.

Hoewel in de brochure wordt aangegeven dat: ‘er geen uniek sociaal, etnisch, of psychologisch profiel bestaat van personen die radicaliseren. Er is geen directe link te leggen met socio-economische, pedagogische of onderwijskundige achterstelling’, wordt direct daaronder gemeld dat ‘Het is bekend dat personen meestal radicaliseren vanuit drijfveren die te onderscheiden zijn in: behoefte aan spirituele of persoonlijke zingeving, behoefte aan sociale erkenning of status en verlangen naar politieke rechtvaardigheid of wraak voor gevoeld onrecht.'

De cirkel moet dus doorbroken worden en dat moet op verschillende punten in de cirkel. Door de ouders in de opvoeding, door de islamitische gemeenschap met de informatieverstrekking, en door de samenleving met betrekking tot de uitsluiting. Het is zeker nodig dat er iets tegen gedaan wordt, maar men moet wel goed opletten hoe het gebracht wordt en door wie.

 

Amina Sebbar, maart 2015